Splitsingswet van de baan
Geplaatst op 22-06-2010Het Gerechtshof Den Haag heeft vandaag bepaald dat kernbepalingen van de Splitsingswet strijdig zijn met het Europese recht. De Splitsingswet heeft de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gewijzigd, door in beide wetten een groepsverbod en een verbod op nevenactiviteiten op te nemen. Het Hof heeft nu geoordeeld dat beide verboden in strijd zijn met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het arrest betekent echter niet dat de gehele Splitsingwet buiten werking is, het verbod tot privatisering blijft bestaan.
Gevolgen
Het directe gevolg van het arrest van het Hof Den Haag is dat de verplichting tot splitsing van de Nederlandse geïntegreerde energiebedrijven is komen te vervallen, door het onverbindend verklaren van zowel het groepsverbod als het verbod op nevenactiviteiten. Een netbeheerder kan onderdeel blijven uitmaken van een in Nederland gevestigde leverancier, producent of handelaar in energie. Zonder het arrest zouden energiebedrijven per 1 januari 2011 de splitsing moeten hebben doorgevoerd om aan het groepsverbod te kunnen voldoen.
Voor NUON en Essent komt dit arrest te laat, zij hebben reeds invulling gegeven aan de splitsing. Voor Eneco en Delta, die zich altijd verzet hebben tegen de splitsing, betekent de uitspraak een herbezinning op de positie. Beide hebben aangegeven dat zij af wensen te zien van een splitsing wanneer deze niet noodzakelijk is.
Voor Eneco komt het arrest op het juiste moment. Eneco heeft recent aangegeven dat zij door middel van een obligatielening het vermogen voor de financiering van de splitsing wenste te vergaren. Vanochtend heeft Eneco bekend gemaakt van die stap af te zien in het licht van het arrest.
Voor energiebedrijf Delta geldt een heel ander verhaal. Hoewel de juridische noodzaak tot splitsing is verdwenen betekent dit nog niet dat daarmee voor Delta de weg open ligt om - gelijk Eneco - geheel zelfstandig verder te gaan. Delta heeft eerder al kenbaar gemaakt dat zij de wens heeft om een tweede kerncentrale te bouwen en exploiteren. Het privatiseringsverbod in de Splitsingwet staat aan die wens in de weg.
Het is zeker dat de uitspraak van het Hof nog jaren voer is voor juristen. De Staat heeft reeds aangekondigd in cassatie te gaan tegen de uitspraak omdat volgens demissionair minister Van der Hoeven van Economische Zaken de rechter op de stoel van de wetgever is gaan zitten en het Hof voorbij is gegaan aan het publieke belang dat met de wet is gemoeid, namelijk dat de levering van stroom en gas aan Nederlandse afnemers is geborgd en niet afhankelijk dient te zijn van buitenlandse ondernemingen. Naast de Staat zullen ook de energiebedrijven niet stilzitten en claims voorbereiden om de schade als gevolg van de splitsingactiviteiten te verhalen.
Achtergrond
De gedachte achter de Splitsingwet is het beschermen van de belangen van de consument, het vermijden van kruisfinanciering en het voorkomen van leveringsproblemen.
De wet werd op 1 januari 2008 van kracht. Drie jaar later, op 1 januari 2011, moesten alle Nederlandse geïntegreerde energiebedrijven zijn gesplitst in een leveringsbedrijf en een apart netwerkbedrijf. Naast dit groepsverbod heeft de Splitsingwet tevens een verbod op nevenactiviteiten in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet tot gevolg gehad. Het verbod op nevenactiviteiten houdt in dat een netwerkbedrijf en zijn groepsvennootschappen geen activiteiten mogen verrichten die strijdig kunnen zijn met het belang van het netbeheer. Daaronder worden alle handelingen gerekend die in relatie staan tot de infrastructurele voorzieningen of aanverwante activiteiten.
Arrest
De splitsingswet zou in strijd zijn met Europees recht. Om die reden zijn Eneco, Delta en Essent in 2007 samen een procedure gestart tegen de gedwongen splitsing. In maart 2008 werd de Staat door de rechtbank in Den Haag in het gelijk gesteld.
Het Gerechtshof heeft een andere conclusie getrokken en bepaald dat zowel het groepsverbod als het verbod op nevenactiviteiten in strijd zijn met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder het vrij verkeer van kapitaal. Het groepsverbod maakt het onmogelijk dat een Nederlands netwerkbedrijf investeert in een buitenlands bedrijf dat in Nederland commerciële energieactiviteiten ontplooit (v.v.). Het verbod op nevenactiviteiten zou tot gevolg hebben dat de groep van ondernemingen - waarvan een netwerkbedrijf deel is - aandelen houdt in buitenlandse vennootschappen die activiteiten ontplooien welke haaks staan op het belang van het netbeheer.
Alleen dwingende redenen van algemeen belang kunnen een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal rechtvaardigen. Volgens het Hof is van dergelijke dwingende redenen geen sprake. De garantie van levering en de daarmee verbandhoudende openbare orde is door de Staat aangevoerd als rechtvaardigingsgrond. Naar de mening van het Hof wordt dit belang reeds beschermd door alternatieve wettelijke waarborgen. Het groepsverbod zou hieraan niets toevoegen. De Staat heeft voorts aangevoerd dat de Splitsingswet bijdraagt aan het voorkomen van de concurrentieverstoring door kruissubsidiëring. Het Hof merkt hierover op dat economische redenen, zoals de bevordering van concurrentie, niet kunnen dienen ter rechtvaardiging van een inbreuk op het vrije verkeer.

